Intonaties (7-7-2008)
Onder de titel 'Intonatie' schrijf ik regelmatig artikelen voor het blad 'Eredienst' van de VGK (Vereniging Gereformeerde Kerkmusici). Niet zelden enigzins ironisch en hopelijk ter 'leering ende vermaeck.' Hier volgen er een paar.
Kwaliteit
Onlangs las ik in een kerkblaadje een tweetal stukjes proza van een predikant, die daarin het opwekkingslied verdedigde. Zijns inziens zijn er eigenlijk maar twee argumenten die regelmatig als kritiek op het evangelicale liedrepertoire te horen zijn:
1. De teksten zijn erg ‘ik-gericht’. 2. De begeleiding bestaat uit een ander instrumentarium dan we gewend zijn.
Deze argumenten werden snel ontzenuwd: hij had de psalmen er op nageslagen en zie daar: het ‘ik’ staat ook daar voortdurend centraal. En heus niet altijd het ‘ik’ binnen de verbondsgemeenschap! Het tweede argument is al net zo zwak: er staat immers nergens in de bijbel dat het orgel zaligmakend is. In tegendeel: psalm 150 spreekt van een heel arsenaal aan instrumenten; we mogen dus niet de traditie of onze persoonlijke voorkeuren als maatstaf nemen.
Ik verbaas me allang niet meer over het feit dat een theoloog over kerkmuziek schrijft. Daarom wekt het ook geen verwondering meer dat het allerbelangrijkste argument in het geheel niet aan bod komt. Het is een woord dat taboe is in veel kerken: het woord ‘kwaliteit’. Mag het in de eredienst misschien een onsje meer zijn? Is de God die we leren kennen in de richtlijnen voor de tempeldienst nog steeds dezelfde? Of heeft Christus’ offer ook bewerkstelligd dat de middelmaat en zelfs de in de grond weggestopte talenten prima geschikt zijn voor de eredienst? En dan gaat het mij echt niet alleen om het opwekkingsrepertoire, maar om de hele liturgie. Dus ook de preek, het orgelspel en de invulling van de collecte. Maar om hier het te beperken tot de opwekkingsliederen: iedere kerkmusicus zal vaststellen dat de kwaliteit van zowel de teksten als de melodieën vaak in schril contrast staat met die van het ‘traditionele kerklied’. Diepgang is regelmatig ver te zoeken en, niet onbelangrijk; de binding met onze kerkgeschiedenis is verdwenen. Deuntjes met een zeer beperkte houdbaarheidsdatum moeten melodieën vervangen die de eeuwen getrotseerd hebben. Een lied dat Luther en Calvijn onmiddellijk zouden herkennen wordt vervangen door een eendagsvlieg die spoedig stukgezongen is. Hoezo ‘vertellen wij nu aan het nageslacht’ (psalm 78)?
Een goedwillende broeder uit de gemeente probeerde mij de onjuistheid van mijn standpunt te laten inzien met een fraaie metafoor. ‘Als mijn zoontje van drie thuiskomt met een bos paardebloemen, vindt mijn vrouw dat net zo mooi als het dure boeket dat ik meebreng van de bloemist.’ Een waar woord. Maar wat denkt moeder als de bloemist om de hoek zit en vader thuiskomt met een bos paardebloemen?
Verjaardagspret
Stelt u zich eens voor: zoonlief wordt tien jaar en op de ochtend van zijn verjaardag verzamelen vader, moeder en de andere kinderen zich voor de slaapkamerdeur. Zoonlief, die natuurlijk al uren wakker is, kijkt verwachtingsvol naar de deur die opengaat en ziet de gezinsleden met pakjes binnenkomen. Vader neemt het woord: ‘lieve zoon, omdat je vandaag jarig bent, zijn we bij elkaar gekomen in jouw slaapkamer. Zo meteen zullen we zingen: “lang zal hij leven, lang zal hij leven, lang zal hij leven in de gloria, in de gloria, in de gloria.” Daarna zullen we drie maal “hiep hiep hoera!” scanderen om de feestvreugde te verhogen.’
U begrijpt dat de laatste restjes spontane betrokkenheid de slaapkamer inmiddels ruimschoots verlaten hebben. Waarom doen we dit in kerkdiensten wel voortdurend? Als de liturgische elementen zoals het votum, de zegengroet, de wet en de geloofsbelijdenis steeds weer van een toelichtend praatje worden voorzien, is de actieve deelname van de gemeente gereduceerd tot nul. Je hoeft immers niet meer na te denken wanneer er iets gebeurt in de dienst en welke functie het heeft. Onderuitgezakt ondergaan we, of liever: consumeren we het gebodene.
Met liederen is zo mogelijk nog merkwaardiger. De werkelijk nuttige functie van moderne media is dat iedereen ruim van tevoren weet uit welke onderdelen de liturgie bestaat. Gemeenteleden die de dienst thuis meemaken kunnen vaak zelfs dagen van tevoren de orde van dienst al krijgen. Toch worden liederen uitputtend aangekondigd in de dienst en regelmatig wordt zelfs de inhoud al verklapt. Om in de sfeer van ons verjaardagsfeestje te blijven:
Hoewel zoonlief na het zingen met gretige blik naar de cadeautjes kijkt, neemt vader eerst weer het woord: ‘Jongen, zoals je ziet hebben we cadeaus voor je meegenomen, omdat we je tiende verjaardag vieren. Ze zijn ingepakt, omdat het op die manier een verassing is wat het kleurige papier verbergt. Natuurlijk hebben we iets uitgezocht dat bij je past en wat je graag wilt hebben. Het grote pak bevat het waveboard, het pakket dat je zus vast heeft een modelvliegtuig en het kleine pakje hier, je raadt het al, heeft de herkenbare vorm van een computerspel.’
In de kerkdienst kijken we van zulke praktijken helemaal niet op. Het eerst voorlezen van een psalmvers en het vervolgens zingen komt nog op grote schaal voor. Door de gemeenteleden ‘dom’ te houden – zij hadden immers de prachtig bijpassende vondst in het te zingen lied vast niet opgemerkt – zullen ze inderdaad niet actief anticiperen en reageren in de dienst. Ik spreek nog niet eens over het lezen van een onberijmde psalm die door de berijmde gezongen versie gevolgd wordt of het ‘misbruik’ van het slotgebed om de gemaakte punten in de preek nog eens fijntjes te herhalen.
Vieren is een kunst die je niet uit moet leggen.
Spagaat
Natuurlijk: de aflaathandel is verfoeilijk en voor de decadente pracht en praal van de geestelijkheid ten opzichte van de arme bevolking heb ik geen goed woord over. Ook de rijke stadbestuurders met hun statussymbolen: onze toren is hoger, de kerk langer en het orgel groter; niet de meest witte bladzijden uit de (kerk)geschiedenis. Maar er is ook een keerzijde aan deze medaille: het besef dat het beste en mooiste voor God nog niet goed genoeg is, kortom: de kerk als cultuurdrager.
Cultuurdrager? Ja, tot aan de tijd van de Verlichting moest je voor de fraaiste kunst in de kerk zijn. Daar hoorde je de mooiste muziek en kon je als gewone man een ‘vleugje eeuwigheid’ meenemen. De grote componisten tot en met de barok waren bijna allemaal kerkmusici. De meest beroemde schilderijen uit diezelfde periode vallen bijna allemaal onder de noemer ‘kerkelijke kunst.’ Heel logisch ook: het is de meest ultieme vorm om de cultuuropdracht uit te werken. In het kunnen scheppen van beelden en klanken om God te eren is de mens bij uitstek de kroon op het werk van de Schepper!
Hoe anders is dat nu. Wil je naar een prachtige uitvoering van de Matthäus-Passion? Waarschijnlijk wordt die uitgevoerd door mensen die er zelf inhoudelijk niets mee hebben. Hetzelfde geldt voor het publiek: een bekende Politica sprak na een bezochte uitvoering van Bach’s meesterwerk: ‘voor mij is dit echt het begin van de lente!’ Bezoek je een museum? Tien tegen één dat je er weinig tot geen kerkgangers tegenkomt. Kerken die wel waarde aan kwaliteit en traditie in de liturgie hechten, zoals de Anglicaanse kerk in Engeland, zien concertgangers in plaats van heilbegerigen naar de diensten komen. De lange rijen mensen die bij King’s College te Cambridge staan te wachten voor een Evensong spreken boekdelen. En het komt van twee kanten: de kunsten hebben zich losgemaakt van bijbelse referentiekaders. De autonome kunstenaar kan zich niet dienstbaar opstellen, maar profileert uitsluitend zichzelf in zijn schepping. Dit zorgt voor een nog grotere afstand en zelfs angst van kerkelijke zijde: kunst is het ‘domein van de slang’ geworden.
Hebben we als kerken niet iets om er tegenover te zetten? Zijn we de zo vanzelfsprekende –en bijbelse!- link met kunst en cultuur helemaal kwijtgeraakt? Om het eens heel concreet te maken: wat is de rol van een gereformeerd kerkmusicus, als hij moet laveren tussen onwetendheid, onverschilligheid en slechte smaak? Moet hij zijn brood buiten de kerk verdienen en binnen de gemeente dan maar toezien hoe het gebod van David (II Kronieken 8: 14) totaal vergeten is? Hoe flexibel moet en kan de kerkmusicus eigenlijk zijn?
Trendsetter
Ik ken een predikant die ook een getalenteerd musicus is en er op beide vakgebieden duidelijke meningen op na houdt. Bovendien weet hij die meningen vaak op kernachtige wijze en niet zonder humor te verwoorden. Zo vergeleek hij enkele jaren geleden in dit blad ‘minimal-music’ eens met de achtergrondmuziek bij een achtervolgingsscène in een ‘Dirty Harry film’. Onlangs nog gebruikte hij in het blad ‘Muziek & liturgie’ van onze zustervereniging het citaat one has to know his limitations om zijn punt over stijlkopieën kracht bij te zetten. Als groot Clint Eastwood-fan kan ik zulke uitspraken van ons bestuurslid David de Jong zeker waarderen. Minder duidelijk worden zijn uitspraken als het gaat om het evangelische lied binnen de eredienst. Aan de ene kant signaleert hij terecht het gevaar dat de eredienst een ‘grabbelton’ wordt: voor elk wat wils. Aan de andere kant mag wat hem betreft de veelkleurigheid van het volk van God weerspiegeld worden in de eredienst. Ga er als kerkmusicus maar aan staan! Gelukkig staat bij hem het woord ‘kwaliteit’ hoog in het vaandel, maar daarmee beginnen de moeilijkheden eigenlijk pas echt…..
Aanmerkelijk minder enthousiast ben ik over enkele uitspraken die te horen waren op het onlangs gehouden congres ‘Muziek in de kerk’ te Amersfoort. Mijn nekharen gaan spontaan overeind staan als ik een zin lees als: ‘De kerk kan niet om het ritme van de popmuziek heen. Daarom moet er ruimte gemaakt worden voor andere instrumenten dan het orgel’. Laat ik meteen duidelijk zijn: de tweede zin stoort me allerminst. Natuurlijk is er ruimte voor andere instrumenten dan alleen het orgel. Maar die eerste zin: het ‘er niet omheen kunnen’: dat geluid hoor ik vaak tot vervelens toe. Termen als ‘aanpassen’ en ‘eigentijds’ maskeren vaak een totaal gebrek aan visie binnen de kerken als het gaat om kerkmuziek. Of is het nog zorgwekkender: is het weghalen van drempels tussen kerk en wereld de visie van veel kerken? In plaats van een antwoord te geven op de tijdgeest van vandaag, proberen we ons zoveel mogelijk aan te passen aan de hedendaagse cultuur. Los van het feit dat dit ten ene male onmogelijk is, krijg ik ook sterk de indruk dat het ‘stad op een berg’ en een ‘zoutend zout’ zijn niet met deze kameleongedachte overeenstemt. Om een heilig (=afgezonderd!) volk te zijn, moet je juist verschillen uitbuiten en je daardoor krachtig profileren. Om diezelfde reden houden veel mensen hun hart vast nu de Christenunie in de regering zit: hoe groot is de kans dat een uitgesproken oppositiepartij door compromissen uiteindelijk zijn kracht verliest?
Daarmee kun je nog niet zomaar antwoorden geven op prangende vragen die spelen rond de invulling van de eredienst. Overigens is het niet-muzikale deel van de eredienst hier ook zonder meer mee verbonden: van taalgebruik tot kleding, van aankleding van de kerkzaal tot de vorm van de kansel. In zijn uitstekende boekje ‘Stroomopwaarts in een nieuwe eeuw’ schrijft Stephan Holthaus: ‘Modes, stromingen en trends roepen om een tegencultuur, waarin bijbelse normen centraal staan. Het evangelie moet voor onze cultuur vruchtbaar gemaakt worden. Dit is de taak die God op de schouders van de kerk van vandaag legt. De kerk moet tegen de stroom ingaan.’ Vanuit dit denken ontstaat er een invulling van de eredienst die niet gebaseerd is op angst, maar op het feit dat we een boodschap voor de wereld hebben. Die boodschap is dwaasheid voor de wereld en de hoop die wij hebben kent de wereld niet. Mag dàt eens wat meer doorklinken in onze discussies over de eredienst? In plaats van het huilerige ‘er niet omheen kunnen’ zou ik liever ‘er tegenaan’ zien: go ahead, make my day!
Liturgische verloedering
Improvisatie en liturgie hebben niets met elkaar te maken. Tja, uit z’n context gerukt klinkt dat erg dramatisch. Maar het is waar: onvoorbereide creatieve uitbarstingen van voorgangers of musici in de eredienst zijn zelden verrijkend en leiden vaak af van de werkelijke inhoud. Antoine Bodar, van wie de uitspraak afkomstig is, fulmineert in zijn columns herhaaldelijk tegen ‘vermeende creativiteit – beroerd overblijfsel van de jaren zestig, toen niemand hier te lande niet “creatief” heette te zijn.’
Bodar heeft duidelijk niet veel op met de hedendaagse creatieve babbelcultuur, die ook de kerken niet onberoerd laat. Het gebrek aan stijl en cultuur is volgens Bodar zelfs een belangrijke reden dat kerken leeglopen en geen aantrekkingskracht meer uitoefenen. ‘De muzen zijn vertrokken en de diensten zijn meesttijds zo gewoon geworden, zo menselijk om niet te zeggen “gezellig”, dat het velen aangenamer is op zondagochtend in bed te blijven dan het kerkgebouw aan te doen.’ Toch is de bekende columnschrijvende priester geen pessimist als het om de toekomst van de kerk gaat. Een boek met een selectie van zijn schrijverijen heeft als titel zelfs ‘Nochthans zal ik juichen’ (Habakuk 3) meegekregen. Hij pleit daarin voor een houding die juist tegen de ‘waan van de week’ ingaat en die de wereld werft, in plaats van achter haar aan holt. Daarbij moeten we ons steeds weer bewust worden van wat de kerk is en hoe wij haar (willen) beleven. Bodar stelt enkele zinvolle vragen, zoals: ‘Is het ons huis, waar wij ook de Heer treffen? Of is het Zijn huis, waar wij ook elkaar tegemoet treden? Geven wij elkaar gastvrijheid? Of geeft Hij ons gastvrijheid?’
Soortgelijke vragen over de grondhouding ten opzichte van de eredienst dienen altijd vooraf te gaan aan de visievorming rondom de praktische invulling ervan. Vragen over bijvoorbeeld de kwaliteit of de al dan niet noodzakelijk geachte laagdrempeligheid van de liturgie hebben altijd achterliggende gedachten. Willen we onze niet-religieuze medemens bereiken? Zoeken we zelf iets dat we in de huidige erediensten niet (meer) vinden? Moet het aantrekkelijker worden voor de jeugd en de kinderen? Zijn we nog wel bij de tijd? Allemaal vragen die eigenlijk pas gesteld mogen worden als we eerst nadenken over het werkelijke doel van de eredienst. En als Calvinistische kerken zouden we dan in de eerste plaats moeten vragen: hoe komt God aan zijn eer? Dat is het uitgangspunt, dat door de eeuwen heen onveranderd blijft. Dan loont het ook de moeite om te kijken hoe men dat door de eeuwen heen vorm gegeven heeft. Dan blijken vragen van toen nog volop actueel en problemen van nu vaak eeuwenoud. Om Antoine Bodar nog eenmaal aan het woord te laten: ‘Liturgie heeft van nature alles te maken met dagelijks leven. Zij is alleen al leerschool in omgangsvormen, bevordert wellevendheid en dienstvaardigheid en spoort aan onderlinge van God gekregen verbinding te bewaren. Maar liturgie is niet gewoon als dagelijks leven. Vieringen zijn feestelijkheden, waar dagelijksheid wordt opgetild en horizontale Godsbeleving ruimte geeft aan verticale. Zo kan liturgische verloedering een einde nemen en de katholieke kerk in haar erediensten nieuw élan krijgen.’ Of je met een roomse kromstaf rechte slagen kan slaan!
Collectieve smaak?
Ik word wel eens moe als ik weer in de verdediging moet als het om kerkmuziek gaat. Voor je het weet bevind je je in een wespennest waaruit ontsnappen onmogelijk is. Is een gitaar soms niet tot Gods eer? Moeten we niet met onze tijd mee? De jeugd moeten we toch vasthouden? Wie begrijpt die ouderwetse psalmteksten nog? Zucht….
Toen werd het vier mei. Via de radio volgde ik de dodenherdenking op de Amsterdamse Dam. De militaire kapel speelde passende muziek voor de gelegenheid en de woorden van de diverse sprekers waren zorgvuldig gekozen. Een achttienjarig meisje van allochtone afkomst had een prachtig gedicht gemaakt dat uit een groot aantal inzendingen geselecteerd was. De twee minuten stilte werden als uiterst functioneel ervaren. Niets werd aan het toeval overgelaten; tot op de seconde was de liturgie vastgelegd.
Liturgie? Nee, dit was ‘slechts’ een dodenherdenking met diverse hoogwaardigheidsbekleders, waarbij Gods naam niet eens genoemd werd. Toch deed het geheel zeer aan liturgisch handelen denken. Daarbij kwam het in niemand op om spontaan een onvoorbereid praatje te houden voor de microfoon. Ook werden er geen populaire deuntjes gezongen en tijdens de twee minuten was er geen achtergrondmuzak. De muziek die door de militaire kapel ten gehore werd gebracht was zorgvuldig ingestudeerd en er was dan ook geen wanklank te horen. Het taalgebruik was nergens platvloers of gezocht ‘modern’. Uiteraard kon ik via de radio niet zien wat er gebeurde, maar ik stel me zo voor dat de betrokken mensen niet in korte broek, T-shirt en sportschoenen gekleed waren.
Hoe kan dit? Waar komt deze schijnbaar vanzelfsprekende stijl vandaan? Eerbied voor de oorlogsslachtoffers? Het besef dat de Koningin aanwezig is? Maar hoe zit het dan met onze kerkdiensten? Daar gedenken we hèt Slachtoffer. Daar is de grote Koning zelf aanwezig. Toch is het juist in de kerk dat het moeilijk praten is over zaken als kwaliteit. Het moet vooral spontaan en leuk zijn. Over een bewuste stijl die past bij Gods heiligheid wordt maar zelden nagedacht. God is toch liefde? Dan vindt Hij vast alles ‘leuk’ wat zijn kinderen doen. Toch?
Ik schaam mij plaatsvervangend als ik de volstrekt vanzelfsprekende stijl van zo’n dodenherdenking vergelijk met wat we soms van de erediensten maken. En al is een kerkdienst uiteraard geen dodenherdenking, maar een viering van en voor de Levende; betekent dat vervolgens dat het er allemaal niet zo toe doet? Is het echt een kwestie van ‘smaken verschillen?’ Of zit er meer achter? Hebben we nog echt een besef waarom en voor wie we eigenlijk kerkdiensten bezoeken? Of is de dodelijke gewoontevorming zo ingesleten dat we niet meer in staat zijn tot verwondering? Want daar begint het toch mee:
Een lied van uw verwondering dat nòg uw naam niet onderging, maar weer opnieuw geboren is uit water en uit duisternis.
Wij zullen naar zijn land geleid doorleven tot in eeuwigheid en zingen bij zijn wederkeer een nieuw gezang voor God de Heer.
(LvK 225, Willem Barnard)
Proleet bij de orgelbank
Zondagmiddag; het einde van de dienst. De zegen is net uitgesproken en ik ben halverwege mijn uitleidend orgelspel. Er staat plotseling een man naast me bij de speeltafel die heftig gebarend op luide toon tegen me begint te praten. ‘Er valt bij u niet te zingen, deze dienst had geen enkele sfeer!’ Enigszins geïrriteerd vraag ik hem of hij in ieder geval zo fatsoenlijk wil zijn om te wachten tot ik uitgespeeld ben. Na mijn slotakkoord gaat hij meteen verder: ‘mensen zoals u zijn er de oorzaak van dat velen de kerk verlaten; dit is gewoon gemeente-pesten!’ Uiteraard wordt mijn stemming er na deze mededelingen niet beter op, maar ik probeer in ieder geval te peilen waar de moeite precies ligt. Speelde ik te snel? Was het te hard? Te modern misschien? Op geen van de vragen kan de man iets zinnigs antwoorden, hij blijft erbij dat er ‘geen sfeer’ in de kerkdienst was. Omdat hij te gast was in de dienst, kon hij natuurlijk ook niet vergelijken of de door hem aangeduide ‘sfeerloosheid’ een gebruikelijke bijwerking van mijn orgelspel is. Meteen maakt hij ook nog even korte metten met de organist in zijn eigen gemeente: die deugt ook van geen kant. In ‘zijn’ gemeente blijkt een uitstekend musicus te spelen, maar schijnbaar weet hij bij onze criticus de juiste snaar ook niet te raken. Omdat ik aangeef dat we in Zuidhorn trots op onze goed zingende gemeente zijn en dat ik met ongefundeerde kritiek niet zoveel kan, verlaat hij mopperend de orgelbalustrade weer.
Een wat meer beschaafde variant van deze ontmoeting had ik enkele weken eerder bij mij thuis. Deze keer een broeder uit de gemeente, die het gesprek opende met te vertellen dat hij absoluut geen verstand van muziek heeft. Dit weerhield hem er niet van om in de loop van het gesprek duidelijk te maken dat er volgens hem mensen niet meer ter kerke gaan door mijn orgelspel. Zelfs een overstap naar de baptistengemeente in Drachten zou mede gemaakt worden door traumatische ervaringen met het muzikale deel van de erediensten in Zuidhorn. Er moest dus wel iets grondig mis zijn met de wijze waarop ik de toetsen beroerde, te meer omdat dit volgens zijn zeggen bij de andere organisten veel minder speelde. Ook deze broeder kon me niet vertellen waar de pijn nu precies zat, dus vroeg ik hem om gewoon eens na een dienst boven te komen om precies te vertellen wat er mis is. Per slot van rekening wil ik toch niet op m’n geweten hebben dat mensen door mijn bijdrage in de eredienst de kerk verlaten!
En jawel: meteen de volgend zondag stond hij na de dienst bij de klaviatuur. ‘Het was geweldig!’ ‘Totaal anders dan normaal!’ ‘We hebben heerlijk gezongen!’ Ik kijk mijn vrouw vertwijfeld aan: was het anders? Zij schudt gelukkig haar hoofd; ik was al even bang dat er iets mis was met mijn oren. De juiste diagnose is waarschijnlijk dat hij voor het eerst geluisterd heeft….
|