Interview

“... het idee er één stijl op na te houden is voor mij absurd”

Interview met Sietze de Vries

Willem van Twillert

De loopbaan van Sietze de Vries ontwikkelt zich dermate snel dat hij eigenlijk geen introductie meer nodig heeft. De uitdrukking “Wat goed is, komt snel” is zeker van toepassing op deze jonge organist (geboren 1973), die in hoog tempo zijn belofte “zeer talentvol” inlost.
In de gesprekken die ik met Sietze voerde, was al snel zijn gedrevenheid merkbaar. Een gedrevenheid die gevoed wordt door een opmerkelijk beschouwende aard. Sietze praat rustig, formuleert haast net zo vormvast als hij improviseert. Hij belicht zijn onderwerp van diverse kanten en blijft in zijn meningsvorming boven de materie staan. Soms schemert er wel iets van een brandende ambitie door zijn woorden: “Ik ben echt een speeldier. Al op de muziekschool was ik gek op voorspeeluren, en voelde dan een soort competitiedrang ten opzichte van andere spelers.”

EEN IMPRESSIE
Op 22 november 2001 hoor ik Sietze voor het eerst spelen. Het is meteen raak. Hij improviseert – op uitnodiging van schrijver dezes – voor een cd-opname waarin naast literatuur ook koraalmelodieën van Frits Mehrtens en Bernard Huijbers een rol spelen. Het orgel? Het majestueuze Adema-orgel in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam.
Samen met Aart de Kort neemt hij de improvisatie-honneurs waar. Hij hoort eerst Aart improviseren. Sietze toon zich onder de indruk van Aarts creatieve spel en zegt: “Dat hij nooit Haarlem gewonnen heeft, is onterecht”.
Wanneer Aart en technicus Aart van der Waal zich samen met ondergetekende terugtrekken in de opnameruimte om het gespeelde te beoordelen, gaat ook Sietze mee. Pas na enige tijd dringt het tot me door dat het nu voor Sietze tijd is om zíjn improvisatie voor te bereiden. Ik toon me bezorgd, want hij kent het orgel nog niet, maar Sietze reageert stoïcijns. Hij vindt dit óók interessant. Pas na enig aandringen, in verband met de beschikbare tijd, verdwijnt Sietze richting orgel.
Na een minuut of tien wordt me duidelijk dat Aart precies weet wat hij wil en loop ik naar het orgel, waar ik zie met welk gemak en voortvarendheid Sietze zijn registraties voorbereidt. Hij voelt zich ogenblikkelijk op het instrument thuis, hoewel het zeker geen gemakkelijk registreerbaar orgel is. Op de vraag of hij het inderdaad nog nooit heeft bespeeld (omdat hij zo snel alle registers weet te vinden en kan onthouden) reageert hij: “Och, ik sla het allemaal op in mijn harde schijf”. En inderdaad, wil je zo effectief kunnen improviseren, dan moet je naast talent ook beschikken over een geheugen als een pot.
Even later, tijdens de opname, improviseert hij schitterend. Wat hem siert is, dat hij zich als een ware prof ook laat regisseren. Met evenveel gemak doet hij op verzoek bijvoorbeeld een track nog eens over. Hij is in staat zijn stijl te richten naar het orgel. Op dat gebied toont hij zich een evenknie van een andere grote improvisator: Jan Jongepier, van wie hij ook les heeft genoten.

Tijd voor de weergave van het vraaggesprek dat we in tweede instantie via e-mail met elkaar voerden. In eerste instantie spraken we elkaar in het kader van een cd-opname, november vorig jaar, in Amsterdam. Vervolgens hebben we bij schrijver dezes thuis van gedachten gewisseld. Aan het eind van die dag ontstond het idee om het besprokene in de vorm van een vraaggesprek te gieten.

Had je verwacht dat je na je examen Uitvoerend Musicus zo’n mooie start zou maken in de orgelconcertwereld?

“Er is eigenlijk nooit sprake geweest van een bepaald startmoment. Al voor en tijdens mijn conservatoriumstudie werkte ik mee aan concerten; met name als koorbegeleider. Mijn eerste deelname aan een orgelconcours was ook al in 1989, ik was toen zestien jaar. Op die manier ben ik geleidelijk in het wereldje terechtgekomen; het behalen van het DM- en UM-diploma was in die zin geen afsluiting of begin van iets anders.
Door de succesvolle cd-producties rond de Edskes-orgels is een en ander wel in een soort stroomversnelling geraakt: ik krijg nu meer concerten aangeboden dan ik aankan. Ook komt het buitenland nu nadrukkelijk in beeld.”

Had je verwachtingen omtrent de vakstudie orgel en zijn die ook uitgekomen?

“Ook hier is sprake van een geleidelijke ontwikkeling; toen ik op m’n vijftiende aan de vooropleiding conservatorium in Groningen begon, zat ik nog helemaal in de bekende ‘Zwart-hoek’. Daar heb ik ook nooit spijt van gehad; het is een goede muzikale basis geweest. Tijdens mijn studie ontdekte ik de enorme rijkdom aan andere muziekstijlen; ik heb dan ook eindeloos lp’s en cd’s beluisterd, en daar menig spijbeluurtje voor benut ... Achteraf bekeken is alles eigenlijk heel vanzelfsprekend gelopen, zonder dat ik daar van tevoren grote plannen of ideeën over had: ik wilde gewoon orgelspelen.”

Wat zijn tijdens je studietijd positieve en negatieve ervaringen geweest?

“Het was een heel plezierige tijd op het conservatorium. Wel was het jammer dat de orgelschool in Groningen zo klein was (ik had maar één studiegenoot!); workshops, symposia en excursies waren daardoor totaal niet aan de orde. Wat dat betreft heb ik na mijn studie nog een enorme inhaalslag moeten maken om kennis te vergaren over alle verschillende orgeltypen met hun eigen speelmanier / registraties et cetera. Zulke dingen moet je uiteindelijk toch in de praktijk ervaren; een uurtje orgelles of methodiek in de week zet dan geen zoden aan de dijk.
Van de orgellessen van Johan Beeftink, Jan Jongepier, Wim van Beek en Jos van der Kooy heb ik veel geleerd; het was ook zeer verrijkend om verschillende docenten mee te maken. Dat zet je ook aan het denken over hoe je zelf les geeft. Het improviseren in verschillende stijlen is voor mij altijd volstrekt normaal geweest; het idee om er één stijl op na te houden is voor mij net zo absurd als het idee dat je werken van één componist zou spelen. Als ik me verdiep in een bepaalde stijl, krijg ik ook onmiddellijk creatieve impulsen om in die stijl te improviseren.”

Geef eens een schets van je muzikale ontwikkeling tijdens de vakstudie.

“Ik zei al dat ik in m’n beginperiode nog duidelijk in de ‘Zwart-hoek’ zat. Feike Asma was mijn grote idool: zijn lp’s heb ik grijs gedraaid. Toch vond ik bijvoorbeeld de ‘acht kleintjes’ van Bach ook prachtig toen ik die met een jaar of elf ging spelen. En Prélude, Fugue et Variation van Franck: wat een fantastische ervaring om die muziek te leren kennen! Geleidelijk aan ontdek je steeds meer diepere lagen in muziek, en ga je meer en meer je horizon verbreden.
Enkele speerpunten waren toch wel het ontdekken van mogelijkheden in de articulatie (Van Beek!) en de schoonheid van moderne muziek (Messiaen e.a.). Ook de enorme uitwerking die het beluisteren en ontleden van allerlei muziekstijlen en soorten (zeker niet alleen orgel!) op je spel heeft, is enorm. Hier kan ik met name nog de Engelse kathedraalkoren noemen: die hebben grote indruk op mij gemaakt.
Ook de inburgering in het Groninger orgellandschap is van wezenlijk belang geweest voor mijn muzikale vorming; je leert onnoemelijk veel van de omgang met oude instrumenten zoals in Krewerd, Kantens, Zeerijp, Uithuizen, Leens, Appingedam enzovoort.”

Welke docenten hebben een grote indruk achtergelaten?

“Hoewel Wim van Beek geen leraar was die graag en veel vertelde, heb ik met name op het gebied van toucher heel veel van hem geleerd. Zijn credo was en is: geen overbodige motoriek. Met name bij het pedaalspel is dit van groot belang; een kreet als ‘het rammelt te veel’ kon je dan ook vaak van hem horen.
De combinatie van deze lessen en het orgel van de Martinikerk te Groningen, waarop ik meestal les kreeg, zijn voor een belangrijk deel vormend geweest voor mijn huidige speelstijl. Van de lessen van Jan Jongepier is me vooral bijgebleven dat improviseren eigenlijk net zo werkt als literatuur; vorm, maat en stijlgetrouwheid zijn onontbeerlijk. Het analytisch luisteren is van het grootste belang om een zinvol muzikaal verhaal te vertellen.
Jos van der Kooy was het tegenovergestelde van Wim van Beek; de meeste lessen hebben we gevuld met discussies over orgelgerelateerde zaken. Niet zelden waren we trouwens meer in een theologische debat verwikkeld dan dat er orgelnoten gekraakt werden. Juist die afwisseling en diversiteit heeft mijn studieperiode leerzaam gemaakt. Met Jos van der Kooy heb ik overigens nog steeds veel contact: juist in zo’n drukke startperiode in de internationale orgelwereld geeft hij vaak goede en praktische adviezen. En natuurlijk de nieuwste moppen ...”

Wat zou je graag veranderd zien in de (vak)opleidingen?

“Ik zit als nog niet eens dertigjarige organist natuurlijk niet in een positie om gerenommeerde instellingen de les te lezen, maar vanuit mijn betrekkelijk korte praktijkervaring zijn me wel een paar dingen opgevallen. Wat ik mis in veel orgelopleidingen is het vak improviseren. Gelukkig komt hier wel steeds meer aandacht voor; op het Haagse conservatorium kon ik het zelfs als speciaal vak volgen, en er ook in afstuderen. Maar eigenlijk zouden muziekscholen er al mee moeten beginnen; alleen als je eigen creativiteit blijft ontwikkelen in samenhang met het leren spelen van literatuur, kun je werkelijk het ‘ambacht’ van improviseren onder (en boven) de knie krijgen. Als je het slechts als een soort uitlaatklep voor eigen(tijdse) creativiteit ziet, blijft het erg mager.
Veel is natuurlijk afhankelijk van de docent: op een conservatorium waar ze een hoofdvakdocent orgel hebben die zelf veel en graag improviseert, zal de aandacht hiervoor ook groter zijn.
Verder valt me op, dat veel (jonge) organisten de achtergrondkennis van orgelliteratuur missen. Dit komt met name doordat de link orgel – kerk steeds zwakker wordt. De meeste orgelmuziek (neem alleen al Bach) is met het oog op liturgische doeleinden geschreven, maar voor veel organisten is deze wereld totaal onbekend (geworden).
Als je muziek alleen interpreteert vanuit het notenbeeld, en geen kennis hebt van de koralen of de liturgische functie, kom je niet ver. Je ziet dit dan ook terug in concertprogramma’s: de samenhang is soms ver te zoeken. In feite is dat merkwaardig: juist nu is er zoveel studiemateriaal voorhanden!”

Heb je het idee dat er een sterk ‘hokjes-denken’ is op de conservatoria?

“We mogen over het algemene niveau van de orgelopleidingen in Nederland niet klagen, denk ik. Iedere orgeldocent heeft z’n eigen stijl, en draagt die ook uit. Dat kom je op concoursen veel tegen: een deelnemer kun je soms al heel snel plaatsen als leerling van die-en-die.
Om een voorbeeld te geven: de grote e-moll van Bruhns was één van de verplichte werken tijdens het Schnitger-concours te Alkmaar in 1999. De Amsterdamse school, om het zo maar uit te drukken, had een duidelijke visie op dit werk: je moest het van voor tot achter met een plenum spelen. Omdat er veel Amsterdamse studenten meededen, kwam het plenum dus erg vaak voorbij.
Op zich is er niets mis met een duidelijke opvatting; het wordt pas zorgelijk als het als de enig juiste opvatting gepresenteerd wordt. Ook moet je als orgelstudent al snel doorhebben dat er niet zoiets als een absolute waarheid bestaat als het om interpretaties van muziek gaat; wat vandaag actueel is, kan over tien jaar al weer ouderwets en achterhaald gevonden worden.”

Kun je nog meer voorbeelden hiervan noemen?

“Je kunt bij een interpretatie sterk vanuit de compositie denken, maar je kunt ook het instrument waarop je het uitvoert, centraal stellen. Op een groot en deftig stadsorgel als dat van Alkmaar speel je een triosonate anders dan wanneer je die in Leens speelt. Alleen al het verschil in toonhoogte van deze instrumenten en de akoestiek van de kerken: hoe ga je daarmee om?
Nog een praktijkvoorbeeld: ik deed mee aan het NCRV Brahms-/Schumann-concours in de Laurenskerk te Rotterdam. Nu is dit natuurlijk niet het meest ideale orgel voor deze muziek. Dan moet je een beslissing nemen: probeer ik de klankwereld van negentiende-eeuwse instrumenten te vertalen naar het Laurensorgel, of neem ik de mogelijkheden van dit instrument als uitgangspunt voor mijn Brahms-/Schumann-interpretatie? Omdat ik koos voor het laatste – ik gebruikte zelfs een keer het chamadewerk – kun je op veel commentaar van juryleden rekenen. Ik probeer dus altijd bewuste keuzes te maken; uiteraard wel met kennis van zaken, want woeste fantasieën leiden meestal tot niets.
Je moet in feite een balans zien te vinden tussen eigen muzikaliteit, de compositie en het instrument.”

Zou jij nu iemand adviseren om een vakstudie orgel te gaan beginnen?

“Als je het toespitst op de situatie van de arbeidsmarkt, kun je het niemand aanbevelen: rijk word je er niet van. Maar de bottom-line is uiteindelijk toch: wat doe je met je talenten. Als iemand een buitengewone muzikaliteit aan de dag legt, vind ik dat je verplicht bent die te ontwikkelen. Per slot van rekening gaat je mens-zijn toch boven de praktische materiële zaken. Wel moet je offers kunnen en durven brengen: als je bijvoorbeeld al op jonge leeftijd een gezin hebt te onderhouden, liggen je prioriteiten anders dan wanneer je nog vrij man bent.
Veel is ook karaktergebonden: als je niet van hard werken houdt, niet stressbestendig bent of als je slecht tegen kritiek kunt, is het organistenvak zeker geen aanrader. Maar ben je idealist en leef je voor de muziek, dan kun je er ook een enorme voldoening in vinden!”

Je hebt ervoor gekozen om veelvuldig aan concoursen mee te gaan doen. Wat zijn jouw redenen daarvoor?

“Concoursen hebben enkele zeer aantrekkelijke kanten: in korte tijd moet je veel literatuur studeren, je speelt meestal op interessante orgels, je hoort eens andere interpretaties en last but not least: je krijgt commentaar van diverse organisten. Natuurlijk maak je ook de nodige frustraties mee, maar met veertien prijzen hoor je mij natuurlijk niet mopperen. Achteraf vind ik het eigenlijk best grappig dat het me bijna nooit lukte om eerste prijzen te krijgen: vaak was ik tweede of derde. Bijna altijd wist ik door eigenwijs spel wel weer één van de juryleden ernstig tegen me in het harnas te jagen ...”

Hoe zijn die concoursen uiteindelijk bevallen? Uiteindelijk ben je, denk ik, zeer succesvol geweest, hoewel ik aanneem dat het Internationaal Improvisatieconcours te Haarlem nog wel nog wel op je verlanglijstje zal staan ...

“Omdat ik mijn handen nu vol heb aan de vele concerten, heb ik besloten de concourswereld vaarwel te zeggen. Het heeft z’n functie gehad: ik heb veel literatuur en orgels leren kennen, veel speelervaring opgedaan en mijn naamsbekendheid is er groter door geworden. Alleen het Haarlemse concours blijft inderdaad op mijn verlanglijstje staan; bij een improviserende organist mag die prijs toch eigenlijk niet op z’n c.v. ontbreken ... Wel zal ik de sfeer, de contacten en de typische ‘concoursstress’ missen, maar ik hoop het nu wat vaker aan de andere kant van de jurytafel mee te maken. Dat is in ieder geval beter voor je bloeddruk ...”

Had je bij je eerste proefspel last van zenuwen of kon je er goed mee omgaan?

“Ik heb nog maar één keer een proefspel hoeven af te leggen; ik was toen veertien jaar, en wilde organist van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) De Rank in Zuidhorn worden. Gelukkig was het geen professionele commissie, en werden er nauwelijks eisen gesteld, want als je me toen had horen spelen ... In een soort puberale onoverwinnelijkheid dacht ik in die tijd dat mijn spel al heel wat was, terwijl je pas tijdens een vakstudie in de gaten krijgt dat je nog maar zo bitter weinig weet. Inmiddels ben ik al vijftien jaar organist in Zuidhorn; het Van Vulpen-orgel heeft al heel wat van mij te verduren gehad.”
Wat de zenuwen betreft: tijdens concoursen ben ik altijd zeer nerveus, maar bij concerten begin ik gelukkig zoveel routine te krijgen dat ik de zenuwen redelijk onder controle heb. Inmiddels krijg ik steeds vaker het gevoel van er-zin-in-hebben, en dat komt zowel je eigen speelplezier als de kwaliteit van het spel ten goede.”

Waar leg jij je het liefst op toe: lesgeven, concerteren, eventueel orgelbouwadviezen verstrekken, publiceren of een combinatie van die elementen?

“Hoewel ik een echte speler ben, zou ik de andere genoemde elementen van het vak niet willen missen. Voor wat het lesgeven betreft vind ik met name het geven van improvisatieles erg leuk. Maar ook het coachen van de muzikale ontwikkeling bij kinderen is prachtig werk.
Het inwendige van orgels boeide mij als kind al; ik ben dan ook een echte orgelbouwfanaat geworden. Ik geloof dus niet dat ik voor één element zou kunnen kiezen, zonder iets anders te missen. Ook het begeleiden van koren en het samenwerken met andere muzikanten doe ik graag: anders word je als organist al snel een Einzelgänger.”

Je bent als improvisator veelzijdig en je niveau is in alle stijlen bijzonder hoog te noemen. Wanneer ik terugkijk in de recente orgelgeschiedenis, concludeer ik dat jij een van de weinigen bent die, anno nu, zich durft te vertonen in alle stijldisciplines. Ben je het eens met de eerste vaststelling?

“De kerkgangers in Zuidhorn krijgen veel verschillende klanken te horen, en vaak heeft dat te maken met het concert dat ik dan in de afgelopen week gegeven heb.
Ik zou ook niet willen kiezen voor één bepaalde stijl; wel probeer ik steeds vanuit het instrument waar ik op speel te denken. Op een Schnitger-orgel speel je niet alleen andere literatuur dan op bijvoorbeeld een Adema-orgel, maar je improviseert er ook anders op. Hierin ben ik zeker niet de enige: Klaas Bolt deed het, en Jan Jongepier vind ik nog steeds één van de grootste improvisatoren; van ieder orgel weet hij feilloos het karakter naar buiten te brengen.”

Je hebt wel eens het verwijt gekregen uit orgelacademische kringen, om het zo maar samen te vatten, dat je door terug te grijpen op stijlen uit het verleden, de voortgang van de orgelliteratuur zou kunnen belemmeren. Wat vind je van die kritiek?

“Die kritiek suggereert dat er nog steeds een doorgaande lijn in de orgelkunst te ontdekken is. De praktijk is, dat men in de orgelbouw bijna uitsluitend historiserend is gaan werken, en dat ook steeds meer componisten teruggrijpen op de muziekhistorie. Hetzelfde zien we bij de beeldende kunst: figuratief is niet meer per se fout; kijk maar eens naar de populariteit van bijvoorbeeld een schilder als Henk Helmantel. In het vernieuwingsproces is veel van de oude ambachten, met hun natuurgegevens als drieklanken en verhoudingen, verloren gegaan. Zo’n proces is misschien ook wel noodzakelijk om tot iets nieuws te komen, maar dat is tegelijk het probleem: ís er wel iets nieuws? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er veel geëxperimenteerd is en wordt, maar dat zowel de orgelbouw als de scheppende toonkunst op orgelgebied geen wezenlijk nieuwe zaken gebracht hebben in de tweede helft van de vorige eeuw. Ook heb ik niet het idee dat we ergens naar toe gaan, het lijkt meer op een zoektocht die vooral terugblikt.
De rijkdom van deze tijd is denk ik juist, dat we zoveel documenteren, en veel kennis en overzicht hebben van allerlei tijdperken. Opvallend is, dat we juist daardoor zijn gaan ontdekken hoeveel moois er in al die oude kunsten samengebald is: het idee dat we door de tijd heen beter en slimmer worden is daardoor wel tenietgedaan! Tegelijk vind ik dat er wel een duidelijke plaats moet zijn voor eigentijdse muzikale creativiteit, maar dan wel naast, en niet boven of in plaats van andere al dan niet geïmproviseerde muziek.
Het is trouwens ironisch dat veel organisten die beweren ‘eigentijds’ te improviseren, een idioom gebruiken dat soms al vijftig of honderd jaar oud is. De dodecafonie (twaalftoonstechniek, WvT) is al een eeuw oud, en Messiaens modi zijn ook bepaald niet modern meer te noemen ... Waarom zou ik dan niet het recht hebben om in een stijl van twee- of driehonderd jaar geleden te improviseren, vooral als dat bij het orgeltype past?
Bovendien moet het wel functioneel blijven: het overgrote deel van de muziekliefhebbers is nu eenmaal niet meegegroeid met modernere muziekstijlen. Dat wil niet zeggen dat je dat nooit moet laten horen, maar je hebt natuurlijk wel rekening te houden met je publiek; je speelt toch in de eerste plaats voor hen, en niet voor jezelf.
Ook composities moeten functioneel zijn; ik kan wel allerlei originele gedachten in een modern idioom aan het papier toevertrouwen, maar als dat vervolgens in een la verdwijnt en niet gespeeld wordt, is het weinig zinvol. Bovendien schrijf ik het liefst voor de kerkorganisten als doelgroep: dat is een dankbare markt, die zinvol gebruik maakt van je werk.”

Heb je in je nog tamelijk korte concertpraktijk dingen meegemaakt die je verrast hebben?

“De grootste verrassingen kwamen eigenlijk toen ik meer in het buitenland ging spelen. Dan ontdek je dat Nederland twee kanten van dezelfde orgelmedaille heeft. Aan de ene kant leer je des te meer de enorme rijkdom aan orgels en goede organisten waarderen, maar aan de andere kant merk je dat het fenomeen ‘veel-goede-spelers-op-een-kluitje' wel eens problemen oplevert. De honoraria in bijvoorbeeld Duitsland of Zwitserland liggen twee tot vijf keer hoger dan in Nederland, en de waardering en aandacht bij het publiek zijn vaak veel groter.
Verder ontkom je in Nederland niet aan veel kritiek: kenners te over en (voor)oordelen genoeg. Toch wil ik voor geen goud weg uit ons orgelparadijs, daarvoor is het mij veel te lief. En gelukkig is er naast kritiek ook veel waardering voor de concerten; het is dankbaar spelen als je merkt dat er een enthousiast publiek zit, en dat je dezelfde mensen vaak weer terugziet.
Ik merk ook, dat juist improvisaties in oude stijlen op Psalmen en Liedboekliederen aanslaan; hoewel het draagvlak bij de vakwereld steeds kleiner wordt, merk je bij het publiek een gretige interesse. In feite is het een gat in de markt om op de smakeloze brij van menig religieus getint concert of tv-programma een kwalitatief hoogwaardig antwoord te geven!”

Hoeveel concerten telt je agenda voor 2002?

“Als ik alle aanvragen binnen heb, kom ik waarschijnlijk op ruim dertig orgelconcerten en zo’n vijftien concerten met koren en dergelijke uit. Verder komen daar altijd nog de nodige excursies en orgeldemonstraties bij. Ook speel ik ruim honderd kerkdiensten per jaar, en daarin doe ik nogal eens ideeën op voor de concerten, of probeer ik nieuwe stukken uit.”

Hoe zijn je ervaringen in het buitenland voor wat betreft het concerteren en hoe wordt er op je improvisatiekunst gereageerd; zeker wanneer je ook in bijvoorbeeld barok-, of romantische stijl improviseert.

“In sommige landen is het improviseren totaal onbekend, het is daar volstrekt ondenkbaar dat je ook zonder een boek op de lessenaar muziek kunt maken. In Duitsland, Denemarken en Zwitserland werden vooral de improvisaties in barokstijl uitbundig ontvangen. Ook als ik zelf maar matig tevreden was, kregen ze er daar niet genoeg van! Het ging zelfs zo ver dat er een keer een krantenkop verscheen met de tekst: ‘Het leek alsof Bach was opgestaan’. Zulke recensies zijn in Nederland absoluut ondenkbaar: daar zijn we veel te nuchter voor. En misschien maar beter ook; het dwingt je tot prestaties, en je gaat minder snel naast je schoenen lopen. Hoewel dat op klompen toch gemakkelijk kan ... ”

Zijn er naast jouw docenten nog andere personen die voor jouw loopbaan bijzonder bepalend zijn geweest?

“Op deze plaats wil ik zeker orgelbouwer Bernhardt Edskes noemen. Sinds ik hem in 1999 voor het eerst ontmoette, heb ik onnoemelijk veel van hem geleerd. Vooral omdat hij zeer bereisd is – ‘the Flying Dutchman’ noemt hij zichzelf – heeft hij veel praktijkervaring met orgels en muziekbeoefening in verschillende landen. Hij is niet alleen orgelmaker en organist, maar heeft een zeer brede interesse als het om (levens)kunst gaat. Hij heeft voor mij veel deuren in het buitenland geopend, omdat hij daar een bekend en gerespecteerd orgelmaker is.
Bernhardts broer Cor Edskes is ook een onuitputtelijke bron van kennis; door zijn enorme kennis als organoloog weet hij verbanden te leggen die zeer overtuigend en verrassend zijn. Ook hij heeft me vele praktische tips gegeven op het gebied van interpretatie en registratie van oude muziek.
Verder is het onmogelijk om iets in dit vak te bereiken zonder een trouwe vriendenkring om je heen. Ze stimuleren je, geven je ideeën maar ook kritiek, en geven je een thuisbasis die voor de onmisbare rust en balans zorgt.”

Wanneer kreeg je in je jeugd de wens om orgel te gaan spelen? Welke organisten -live of via geluidsdragers- hebben je liefde voor het orgel gestimuleerd? Anders gezegd: hoe ben je voor het orgel enthousiast geworden?

“Er wordt al jaren door psychologen gediscussieerd over de ontwikkeling van kinderen: zit muzikaliteit al in de genen, of is de omgeving doorslaggevend? Ik ben een voorbeeld van het eerste: al vanaf dat ik rechtop kon staan, hadden toetsen een magnetische aantrekkingskracht op mij. Pas vanaf mijn negende kreeg ik echt orgelles, maar toen kon ik al met twee handen en pedaal eindeloos fantaseren. Het viel dan ook niet mee om weer helemaal terug naar af te moeten met Folk Dean deel I, maar mijn eerste docent, Jaap Niewenhuijse, wist daar gelukkig prima mee om te gaan. Ik heb bij hem een uitstekende basis gekregen, later voortgezet op de muziekschool te Zuidhorn bij Jan Hut.
Ons gezin was niet overdreven muzikaal, wel heeft mijn vader vroeger orgel gespeeld. De orgelplaten die hij en ook mijn grootvader hadden, zijn zeker van invloed geweest op mijn ontwikkeling. Ik herinner me nog dat ik eens samen met m’n vader een nieuwe lp ging kopen, en dat ik er een van Dirk Jansz. Zwart uitkoos, die daarop het orgel van de Laurenskerk te Rotterdam bespeelde. Op die plaat stond onder meer de D-dur van Bach, en ik vond dat zó mooi, dat ik ’m onmiddellijk probeerde zelf in te studeren.
Tijdens mijn basisschool- en ook middelbare schooltijd heb ik niets anders gedaan dan orgels tekenen en disposities maken. Nog altijd kan ik uren naar fraaie orgelfronten kijken; ons instrument is toch een unieke combinatie van auditieve en visuele kunst! Ook de eerste compositieprobeersels komen uit mijn basisschooltijd.
Mijn voorliefde voor orgelbouw werd aangewakkerd door Jan Weessies uit Bedum; in zijn self-made orgel in de Goede Herderkerk heb ik heel wat uurtjes doorgebracht.”

Vind je het maken van cd-opnamen belangrijk voor je ontwikkeling als speler en voor de ontwikkeling van je muzikale loopbaan?

“Om een cd te maken, wil je de op te nemen muziek natuurlijk door en door kennen, en ben je er daarom intensief mee bezig. In die zin is een geluidsdrager een soort afsluiting van een periode: zo dacht ik er toen-en-toen over. Maar je muzikale ontwikkeling staat niet stil; al snel na een cd- productie kun je weer anders over muziek gaan denken, en speel je anders. Als document is het dan leuk, maar soms kun je er zelf niet meer helemaal achter staan. Natuurlijk is het wel een groot voordeel dat je op een relatief eenvoudige manier veel mensen bereikt, maar het ‘bevriezen’ van muziek is wel iets waar je vraagtekens bij kunt zetten. Vooral als daardoor de verwachtingen van het publiek steeds hoger worden, en veel mensen kiezen voor een cd naar keuze in plaats van een live-concert. Dit fenomeen heeft zeker op improvisatiegebied twee kanten: natuurlijk vind ik het prachtig als de cd’s goed verkopen, maar aan de andere kant is improviseren een bijzondere kunstvorm: het ontstaat en vergaat op hetzelfde moment. Door ze in te blikken, neem je een deel van de charme weg ... ”

Heb je een voorliefde voor een bepaalde stijlperiode in de orgelbouw?

“Het mooie van ons instrument is, dat er wereldwijd zo enorm veel variatie in te vinden is. Maar als ik dan toch één orgeltype uit zou moeten kiezen, wordt dat zeker het Noord-Duitse barokorgel. Zoals Arp Schnitger zijn instrumenten bouwde, die perfecte samenhang tussen alle onderdelen, de vormgeving, de uitgebalanceerde disposities: dat is voor mij toch wel een piek in de orgelhistorie. Op dit orgeltype voel ik me thuis, en voel me daarom als een vis in het water in het hoge noorden. Vanuit dit ‘thuisgevoel’ speel ik daarnaast ook graag ter afwisseling op andere orgeltypen, waarbij het Frans-romantische orgel zoals Cavaillé-Coll dat bouwde één van mijn favorieten is. Het kleuren met registercombinaties en de enorme dynamische mogelijkheden (zwelkast e.d.) spreken enorm tot mijn verbeelding, zeker in combinatie met grote kathedralen.
Orgels gaan ook pas echt leven wanneer je er de passende muziek op speelt. Zo was het voor mij een openbaring om Ein' feste Burg van Reger op het grote Sauer-orgel in Leipzig te spelen. Opeens is het volstrekt duidelijk waarom Reger die krankzinnige hoeveelheid noten aan het papier toevertrouwde: zo’n orgel heeft dat nodig. Als je dat werk vervolgens op een achttiende-eeuws Nederlands orgel met veel vulstemmen wilt spelen, moet je de klankwereld van zo’n Sauer-orgel wel in je achterhoofd hebben, en aan het vertalen slaan.”

De toekomst voor organisten, en zeker voor ‘gewone’ goede kerkorganisten, is niet bepaald rooskleurig te noemen. En het ziet er naar uit dat het eerder slechter dan beter wordt. Hoe zie jij in dezen de toekomst?

“Zolang er in veel kerken geen of een slecht muzikaal beleid wordt gevoerd, zal het alleen maar erger worden. Vooral het totaal ontbreken van cultuur, een door radio en tv gevormde wansmaak en het ontbreken van elementaire kennis van liturgie is dodelijk voor muzikanten en andere kunstenaars.
Ik hoop natuurlijk dat de kerken weer uit het dal klimmen, en dat er nog toekomst is voor onze fantastische protestantse kerkmuziektraditie, maar vooralsnog wordt het er niet beter op.
Het vak van kerkorganist wordt inmiddels serieus bedreigd, en pogingen om het orgel onder een breder publiek bekend te maken, juich ik dan ook toe. Maar de wortels van het instrument liggen uiteindelijk toch in de kerkelijke traditie, en ik hoop dan ook dat die niet zal verdwijnen in Nederland.
Ik voel me toch nog altijd in de eerste plaats kerkorganist: binnen de liturgie werkzaam zijn is één van mijn eerste levensbehoeften.”

Wat zou je graag op het gebied van kerkelijk orgelspel veranderd zien? Of vind je de situatie wel goed zo in Nederland?

“Het merkwaardige fenomeen doet zich voor, dat de kerken met de meeste leden vaak het slechtst georganiseerd zijn op het gebied van kerkmuziek. Goede vakorganisten hebben vaak maar een handjevol mensen onder hun gehoor, terwijl allerlei lieden zonder opleiding hun duizenden verslaan.
De kerken, en ook een omroep als de EO, houden dit in stand en stimuleren het zelfs. De kennis en de vaardigheden verdwijnen daardoor steeds meer uit het kerkelijke blikveld. Het niveau is in veel kerken tot ver beneden het vriespunt gedaald, en ik zie daar voorlopig nog geen kentering in komen zolang er vanuit de kerken zelf geen impulsen komen. Iets unieks als de typisch Nederlandse massale samenzang dreigt zo aan wansmaak ten onder te gaan.

De arbeidsrechtelijke situatie van de kerkorganist is, met uitzondering van de SOW-kerken, in ons land niet echt goed geregeld. Ligt dit ook aan het ontbreken van status van de organist? Hoe zijn jouw ervaringen als kerkorganist?

Veel kerken betalen niet of nauwelijks en de organist heeft geen status: deze twee elementen versterken elkaar. Mijn eigen ervaringen als kerkorganist zijn tegenstrijdig: aan de ene kant ken ik geen mooier werk dan het actief in de zondagse liturgie bezig zijn, en aan de andere kant heb ik inmiddels ook de nodige frustraties opgedaan in de kerk.
Omdat je als organist geen status hebt, heb je dus ook geen inbreng. Iedereen mag meedenken en beslissen over het wel en wee van de kerkmuziek, en meestal loopt dat uiteindelijk uit op een soort infantiel muziekgebruik om zogenaamd buitenstaanders in de kerk te krijgen, of om de jeugd vast te houden. Naar mijn stellige overtuiging is de enige manier om als kerk overtuigingskracht te hebben: kwaliteit in zowel woord als muziek. Van een predikant verwachten we veel: een goede opleiding bijvoorbeeld is vanzelfsprekend, terwijl iedere Jan Boerenkool welkom is achter de orgelklavieren. En dan heb ik het nog niet over het gemiddelde niveau van instrumentale groepjes die menen ‘eigentijdse’ muziek te moeten brengen.
Zolang het kan, zal ik proberen de rijke kerkmuzikale traditie in stand te houden, maar ik ben bang dat veel kerken uiteindelijk ongeloofwaardig en dus erg leeg zullen worden door lage drempels en open deuren. Maar gelukkig hangt dat niet alleen van ons af ... ”

Willem van Twillert, 28-5-2002

Interview met Sietze de Vries, zoals het gepubliceerd werd in het maandblad 'De Orgelvriend', april en mei 2002

Comments are closed.