Intonaties: Kwaliteit

Onlangs las ik in een kerkblaadje een tweetal stukjes proza van een predikant, die daarin het opwekkingslied verdedigde. Zijns inziens zijn er eigenlijk maar twee argumenten die regelmatig als kritiek op het evangelicale liedrepertoire te horen zijn:

  1. De teksten zijn erg ‘ik-gericht’.
  2. De begeleiding bestaat uit een ander instrumentarium dan we gewend zijn.

Deze argumenten werden snel ontzenuwd: hij had de psalmen er op nageslagen en zie daar: het ‘ik’ staat ook daar voortdurend centraal. En heus niet altijd het ‘ik’ binnen de verbondsgemeenschap! Het tweede argument is al net zo zwak: er staat immers nergens in de bijbel dat het orgel zaligmakend is. In tegendeel: psalm 150 spreekt van een heel arsenaal aan instrumenten; we mogen dus niet de traditie of onze persoonlijke voorkeuren als maatstaf nemen.

Ik verbaas me allang niet meer over het feit dat een theoloog over kerkmuziek schrijft. Daarom wekt het ook geen verwondering meer dat het allerbelangrijkste argument in het geheel niet aan bod komt. Het is een woord dat taboe is in veel kerken: het woord ‘kwaliteit’. Mag het in de eredienst misschien een onsje meer zijn? Is de God die we leren kennen in de richtlijnen voor de tempeldienst nog steeds dezelfde? Of heeft Christus’ offer ook bewerkstelligd dat de middelmaat en zelfs de in de grond weggestopte talenten prima geschikt zijn voor de eredienst? En dan gaat het mij echt niet alleen om het opwekkingsrepertoire, maar om de hele liturgie. Dus ook de preek, de aankleding van de kerkzaal en de manier waarop we onszelf kleden. Maar om het hier te beperken tot de opwekkingsliederen: je hoeft niet eens een professioneel kerkmusicus te zijn om vast te stellen dat de kwaliteit van zowel de teksten als de melodieën vaak in schril contrast staat met die van het ‘traditionele kerklied’. De diepgang is regelmatig ver te zoeken en, niet onbelangrijk; de binding met onze (kerk)geschiedenis is totaal verdwenen. Deuntjes met een zeer beperkte houdbaarheidsdatum moeten melodieën vervangen die de eeuwen getrotseerd hebben. Een lied dat Luther en Calvijn onmiddellijk zouden herkennen wordt vervangen door een eendagsvlieg die spoedig stukgezongen is. Er ontstaat een breuk met de vorige generaties, terwijl onze kinderen op hun beurt ons repertoire niet meer zullen kennen. Hoezo ‘vertellen wij nu aan het nageslacht’ (psalm 78)?

Een goedwillende broeder uit de gemeente probeerde mij de onjuistheid van mijn standpunt te laten inzien met een fraaie metafoor. ‘Als mijn zoontje van drie thuiskomt met een bos paardebloemen, vindt mijn vrouw dat net zo mooi als het dure boeket dat ik meebreng van de bloemist.’
Een waar woord.
Maar wat denkt moeder als de bloemist om de hoek zit en vader thuiskomt met een bos paardebloemen?

Onder de titel 'Intonatie' schreef ik regelmatig artikelen voor het blad 'Eredienst' van de VGK (Vereniging Gereformeerde Kerkmusici). Niet zelden enigzins ironisch en hopelijk ter 'leering ende vermaeck.'

Comments are closed.