Intonaties: Spagaat

Natuurlijk: de aflaathandel is verfoeilijk en voor de decadente pracht en praal van de geestelijkheid ten opzichte van de arme bevolking heb ik geen goed woord over.
Ook de rijke stadbestuurders met hun statussymbolen: onze toren is hoger, de kerk langer en het orgel groter; niet de meest witte bladzijden uit de (kerk)geschiedenis. Maar er is ook een keerzijde aan deze medaille: het besef dat het beste en mooiste voor God nog niet goed genoeg is, kortom: de kerk als cultuurdrager.

Cultuurdrager? Ja, tot aan de tijd van de Verlichting moest je voor de fraaiste kunst in de kerk zijn. Daar hoorde je de mooiste muziek en kon je als gewone man een ‘vleugje eeuwigheid’ meenemen. De grote componisten tot en met de barok waren bijna allemaal kerkmusici. De meest beroemde schilderijen uit diezelfde periode vallen bijna allemaal onder de noemer ‘kerkelijke kunst.’ Heel logisch ook: het is de meest ultieme vorm om de cultuuropdracht uit te werken. In het kunnen scheppen van beelden en klanken om God te eren is de mens bij uitstek de kroon op het werk van de Schepper!

Hoe anders is dat nu.
Wil je naar een prachtige uitvoering van de Matthäus-Passion? Waarschijnlijk wordt die uitgevoerd door mensen die er zelf inhoudelijk niets mee hebben. Hetzelfde geldt voor het publiek: een bekende Politica sprak na een bezochte uitvoering van Bach’s meesterwerk: ‘voor mij is dit echt het begin van de lente!’ Bezoek je een museum? Tien tegen één dat je er weinig tot geen kerkgangers tegenkomt. Kerken die wel waarde aan kwaliteit en traditie in de liturgie hechten, zoals de Anglicaanse kerk in Engeland, zien concertgangers in plaats van heilbegerigen naar de diensten komen. De lange rijen mensen die bij King’s College te Cambridge staan te wachten voor een Evensong spreken boekdelen. En het komt van twee kanten: de kunsten hebben zich losgemaakt van bijbelse referentiekaders. De autonome kunstenaar kan zich niet dienstbaar opstellen, maar profileert uitsluitend zichzelf in zijn schepping. Dit zorgt voor een nog grotere afstand en zelfs angst van kerkelijke zijde: kunst is het ‘domein van de slang’ geworden.

Hebben we als kerken niet iets om er tegenover te zetten? Zijn we de zo vanzelfsprekende –en bijbelse!- link met kunst en cultuur helemaal kwijtgeraakt?
Om het eens heel concreet te maken: wat is de rol van een gereformeerd kerkmusicus, als hij moet laveren tussen onwetendheid, onverschilligheid en slechte smaak? Moet hij zijn brood buiten de kerk verdienen en binnen de gemeente dan maar toezien hoe het gebod van David (II Kronieken 8: 14) totaal vergeten is? Hoe flexibel moet en kan de kerkmusicus eigenlijk zijn?

Onder de titel 'Intonatie' schreef ik regelmatig artikelen voor het blad 'Eredienst' van de VGK (Vereniging Gereformeerde Kerkmusici). Niet zelden enigzins ironisch en hopelijk ter 'leering ende vermaeck.'

Comments are closed.