Laudes Organi!

Zondagmorgen tien minuten voor de dienst.
Veel mensen zitten al op hun vaste stek in de kerk en wisselen het laatste nieuws uit.
Het geroezemoes wordt plotseling vermengd met zachte klanken, waarin we een bekend geestelijk lied herkennen: de organist is begonnen. Het orgel speelt –want zo zeggen we het vaak- een aaneengesloten fantasie van psalmen, gezangen en opwekkingsliederen, die ten einde komt na een waarschuwend lampje dat gaat branden: de kerkenraad komt binnen.
Met dat de dienst begint verandert ook de functie van het orgelspel: van achtergrondmuziek is het nu de begeleiding van de gemeentezang geworden.
De functie van het orgelspel tijdens enkele andere momenten in de eredienst is soms moeilijk te omschrijven; we horen voorspelen, tussenspelen, een lang collectevoorspel en niet zelden een naspel. Als de dienst afgesloten is door de slotzegen, wordt het sein: ‘lopen maar!’ ook gegeven door de organist, die dan meestal flink wat toeters en bellen uit de kast trekt.
Over het gebruik van het orgel in en rondom de eredienst wil ik het hebben, aangevuld met enkele ideeën over het gebruik van andere instrumenten.
Het opschrift ‘Laudes Organi’, oftewel: ‘lof aan het orgel’, komt hierbij op verschillende manieren aan bod: met een vraagteken, een uitroepteken en steeds met enige scepsis.

Vraagteken: geschiedenis?
De plaats van het orgel in de eredienst is bepaald niet altijd vanzelfsprekend geweest. Zo is menig instrument tijdens de beeldenstorm van de galerij getrokken omdat het ‘zo’n rooms ding met beelden’ was.
Calvijn tolereerde het orgel weliswaar in het kerkgebouw, maar tijdens de eredienst diende het te zwijgen.
Toen na de reformatie bleek dat de soms duizendkoppige samenzang wel erg moeilijk in toom was te houden, werd het gebruik van het orgel als begeleidingsinstrument steeds meer toegestaan. Bestaande orgels werden verbouwd en vergroot, zoals die van de Laurenskerk te Alkmaar en de Groningse Martinikerk. Ook werden er veel nieuwe orgels gebouwd; de beroemde instrumenten in de Oude kerk te Amsterdam, de Haarlemse Bavokerk en de Bovenkerk van Kampen zijn daar voorbeelden van.

Vraagteken: nieuwe bundels?
In onze tijd is het orgel zijn plek ook niet altijd zeker; vooral nu er op liturgisch gebied soms een soort ‘tweede beeldenstorm’ lijkt plaats te vinden. Er gaan regelmatig stemmen op dat het ‘verouderde kerklied’ vervangen moet worden door iets ‘eigentijds’. Onder het ‘verouderde kerklied’ valt ongeveer alles op het gebied van het Liedboek (1973); een periode van zo’n 600 jaar! Met ‘Eigentijds’ wordt dan meestal de meer evangelisch gekleurde liederenschat bedoeld, zoals die in de diverse opwekkingsbundels te vinden is. Met de komst van deze andersoortige liederen is de vanzelfsprekendheid van de orgelbegeleiding opeens ter discussie gekomen: sommige liederen zijn zeker niet bedoeld om met een orgel begeleid te worden. Het ‘traditionele’ kerklied heeft meestal als kenmerk dat de melodie dienstbaar is aan de tekst: zij versterkt en ondersteunt haar.
Bij het opwekkingsrepertoire is dit allesbehalve vanzelfsprekend; het stuwende ritme lijkt niet zelden belangrijker te worden dan de tekst. Uiteraard denk je bij deze vorm van ‘stuwing’ eerder aan een combo met gitaren, piano en slagwerk dan aan een orgel. Een interessante vraag hierbij is of je als traditionele kerk op deze manier niet alleen andersoortige muziek, maar ook een andere geloofsbeleving binnen de muren haalt, maar dit terzijde.

Vraagteken: kerkenraden?
Hierdoor kom ik op een punt dat ik veel kerkenraden kwalijk neem: de consequentie van het voorgaande wordt niet of nauwelijks onderkend. Iedere predikant voelt zich vrij om liederen van een zeer divers pluimage te laten zingen in de eredienst en de organist moet zich er maar mee zien te redden. Was dit bij de grote hoeveelheid Liedboekliederen soms al een probleem; dat probleem is nu vele malen groter geworden. Neem alleen al eens enkele praktische vragen zoals:

  • wie beslist wat wel en niet met het orgel begeleid kan worden?
  • welk(e) instrument(en) nemen we dan en wie gaat ze bespelen?
  • wat te doen met organisten die ernstig in gewetensnood komen doordat ze zaken moeten spelen die niet samengaan met hun (muzikale) geweten?

In negen van de tien gevallen is de huidige situatie in kerken dat een goedwillende amateur-organist de orgelbank ’s zondags bezet. Dit is iemand die tegen een kleine vergoeding of onbetaald veel (vrije) tijd en liefde in de erediensten steekt. Omdat er van de kerkenraden uit meestal geen enkele visie op liturgie is, ontbreekt niet zelden de stimulans om echt werk te maken van het orgelspel in de erediensten. Eerdergenoemde zaken als eindeloos gefantaseer voor de dienst, onduidelijke voorspelen, rommelige begeleidingen (liefst met verhogingen in de psalmen) en functieloze tussenspelen zijn dan ook niet te wijten aan de organisten in de eerste plaats, maar aan een gebrek aan visie op liturgie binnen veel kerken.
Nog steeds is het een veelvoorkomende praktijk dat de predikant na het schrijven van de preek enkele standaard versjes kiest, waarmee de organist dan op z’n vrije zaterdag aan de slag moet (‘Alweer psalm 25 bij de collecte, wat nu?’).
Ook de grote hoeveelheid instrumenten van slechte kwaliteit die we binnen de kerkmuren vinden, vloeien voort uit het idee dat het allemaal niet zo belangrijk is.
Dit werkt weer mee aan een toenemend negatieve imago van het orgel, en doet zo de roep om wat anders alleen maar toenemen.

Uitroepteken: kerkenraden!
De bekende kerkmusicus Frits Mehrtens schreef eens de gedenkwaardige woorden: ‘De lofzang is de troon van God en niet de klapstoel voor onze religieuze behoeften’ (vrij naar psalm 22). Werk aan de winkel dus! Een aantal zaken zijn al lang genoeg (op hun klapstoel) blijven liggen:

  • stimulansen en bijscholing voor de huidige organisten,
  • een inventarisatie van andere mogelijkheden van gemeentezangbegeleiding,
  • veel meer aandacht voor de zondagse liedpraktijk: wat zingen we en waarom?

Op het gebied van opleidingen zijn er genoeg mogelijkheden; ik noem alleen al de cursussen die door de diverse kerkmuziekverenigingen worden aangeboden. Stimuleert een kerkenraad haar organisten –ook financieel!- tot dit soort activiteiten? Er zijn de nodige kerken die een cantor hebben aangesteld; hij of zij kan met koren en / of instrumentalisten de diensten opluisteren en meteen het proces van het hoe en waarom in de liturgie nieuw leven inblazen. Maar ook dit kost inzet, organisatie en geld.
Natuurlijk heeft het orgel geen monopoliepositie in de eredienst; een goede koperblazergroep kan bijvoorbeeld ook prachtig zijn. Maar wie organiseert, wie componeert, wie dirigeert? En niet alle instrumenten zijn geschikt; zo heeft een piano vaak te weinig draagkracht als het om een grote groep mensen gaat. Bovendien vragen de meeste kerkliederen om een klank die ‘mee-ademt’ met de gemeente. Instrumenten als (dwars)fluiten, violen en gitaren zijn te zacht voor de gemeentezangbegeleiding. Het geheel elektrisch versterken levert vaak slechte resultaten op; uiteindelijk luister je dan naar een stel speakers, en niet naar de instrumenten. Het orgel houdt het niet voor niets zo lang vol: het kan door één persoon bediend worden en heeft genoeg draagkracht voor grote groepen mensen.

Uitroepteken: nieuwe bundels!
Hoewel ik over het eerder genoemde ‘opwekkingsdeel’ van de diverse nieuwe liedbundels niet enthousiast kan worden, is er ook een heleboel moois naar ons toegekomen. Een keur aan nieuwe mogelijkheden, zoals de inzet van eerder genoemde koren en instrumentalisten wordt mogelijk gemaakt. En niet te vergeten: het kinderlied kan een volwaardige plaats in de eredienst krijgen. En daarmee bedoel ik nu pertinent niet de voortgaande ‘infantilisatie’ die we wel eens kunnen waarnemen in sommige erediensten! Als we iets ‘extra’s’ in de diensten willen door middel van (kinder)koren of instrumenten, moet het vooral functioneel zijn. Als het alleen maar om aandachtstrekkers gaat om de dienst wat ‘op te leuken’, klopt er iets niet in onze voorstelling van wat een eredienst nu eigenlijk is.

Uitroepteken: toekomst!
Een paar gedachten over liturgie om mee te nemen:

  • We zijn als traditionele kerken uniek in onze kennis van Gods eigen liedboek: de 150 psalmen. Er is slechts één generatie voor nodig om deze cultuurschat te laten verdwijnen.
  • Liturgie is iets dat kerken verbindt; verticaal (liturgie in de hemel), horizontaal (kerken over de hele wereld) en in de tijd (eeuwenoude gebruiken die hun oorsprong in de bijbel vinden).
  • Op grond van het voorgaande is het dus belangrijk om goed na te denken over eventuele veranderingen; vragen als: is het functioneel? en: vinden we het wiel niet opnieuw uit? kunnen gemakkelijker beantwoord worden als we die verbindingslijnen goed kennen.
  • Lage drempels zijn populair. Ze zorgen echter meestal eerder voor een exodus dan voor een intocht.
  • Dat van die klapstoel en die troon: zit het bij ons al een beetje?
  • Over smaak –ook bij liturgie- valt wel degelijk te twisten. Net als verschillende gaven ontwikkel je het. De smaak van de meerderheid is in de kerk nooit het uitgangspunt. We zijn immers een Theocratie en geen democratie.
  • Kende u het gebod van David (II Kronieken 8: 14) al?

Comments are closed.